25 jaar zijn ze in de war met het bouwjaar van dat ding. Rond 1875 is ie gebouwd, in de polder het Varnebroek. Daar is ie ook naar vernoemd, het Varnebroekermolentje. Dat ligt net zo’n beetje ter hoogte van het kruispunt Aart Gelderlaan Martin Luther King. Daar op die hoogte heeft ie gestaan; daar is ie weggehaald, anders had ie nu midden op de rijbaan gestaan, bij wijze van spreken dan. Hij is daar weggehaald omdat het gevaar bestond dat Alkmaar hem zou inpikken en dat wou Heiloo natuurlijk niet, omdat ie nog op het grondgebied van Heiloo stond, terwijl die nu wordt afgeschoffeld. Hij gaat naar de Molenstichting Alkmaar, in de hoop dat zij het onderhoud kunnen betalen. Ik ben bang dat het hard achteruit zal gaan. De gemeente Heiloo had er nog een paar centen voor over om dat ding in orde te maken. Ze moeten hem dus wel helemaal herstellen, er is wel een en ander aan stuk. Als dat stil staat, een jaar lang, gaat het hout rotten en vallen de latjes eraf. Het is allemaal van hout gemaakt; zelfs de roeden zijn niet van ijzer zoals de meeste molens. Alles is van hout, het is amerikaans grenen wat erin zit. En ze hebben hem wat groter gemaakt als dat ie was. Hij had een vlucht van origineel acht meter. Van uiteinde tot uiteinde van de wieken, dat is vlucht, dat is nu negen meter tien. Hij is ook hogerop gezet, hij stond bijna op de grond.
Het is een watermolen, te vergelijken met een aanbrengertje, maar dan net geen aanbrengertje. Een aanbrengertje is het soort ijzeren molens die vroeger in het land stonden. Daar zit een centrifuus pompje in en hoe het werkt dat weet ik niet, dan zou ik het open moeten maken en het zit onder water ergens ingebouwd.
Hij hoort dus bij de grote jongens en er zit een vijzel in. En hij kan niet precies schatten hoeveel kuub er per uur doorgaat, maar als ie flink draait, dan staat het schuim er wel op. Maar dan moet je wel meer hebben dan dat theewindje dat je nu hebt, want zo kan ie hoogstens voor de prins draaien. Voor de prins draaien wordt zo genoemd, omdat ie dan vrij loopt. Dat moet omdat ie dan draait en eigenlijk niks doet. Dat is goed voor het drogen van het hout, het drogen van de zeilen en het landelijk gezicht. Recreatie heeft er ook wat mee te maken. Ik ben nog steeds molenaar op dat dingetje, daarom ken ik hem ook wel. In ‘73 begon er sprake van te komen dat ze dat dingetje zouden opstellen daar, de plaats wist ik niet. Hij heeft opgeslagen gestaan op de oude Heilooer vuilnisbelt, net over het viaduct in de Kanaalweg, aan de linkerkant. Het onderbouwtje stond buiten, met een olievat erop tegen de regeninslag. De rest van het spul lag in de oude groene loods, die er nu ook niet meer staat. Die werd ook gebruikt als zoutloods; het molenspul lag daarbij in die zoutloods en dat is helemaal niet bevorderlijk wat zout geeft allemaal werking en het slaat aan.
Ik kreeg er lucht van dat ze hem zouden gaan opbouwen en toen ben ik naar het gemeentehuis gestapt. Meneer Brandsma was onze directeur Openbare Werken. Aan hem heb ik gevraagd: "zou ik dat molentje mogen hebben" en dat werd goed bevonden. In ‘73 werd het opgezet en in ‘75 kon ik er mee gaan draaien, alleen nog maar voor de prins, want er zat nog niks in: de vijzel is er pas later ingekomen. Ik had de molen in beheer voor een klein minuuskuul salarisje, je moet het per jaar rekenen om op een aardig bedrag uit te komen. Brandsma zei dat ik er wel voor moest gaan leren. "Ja meneer Brandsma, dat doe ik wel", maar dat heb ik nooit gedaan, ik heb hem voor de gek gehouden. Ik denk, ik leer dat spelenderwijs wel. En ik heb er zelf nooit geen problemen mee gehad, totdat het een keer goed uit de hand liep. Daar kon ik niks aan doen, want ik had alles goed vastgezet en toen is het gaan stormen. Op een dag in januari 1976 is ie aan de hol gegaan, losgeslagen, dwars door de remming en alles heen, want de vang stond erop. Dan krijg je wrijving in dat houten bovenwiel waar de klem omheen zit en door die wrijving wordt het natuurlijk heet. Het heeft een tijd staan draaien zo en het was een beetje zwart, meer ook niet. Ik ben er meteen heen gegaan, het was op een zaterdag en ik had een soort voorgevoel dat het fout zat. Ik kwam achter de bomen vandaan, bij Overbos en vandaar kon je het zien, nu is alles dichtgegroeid. Er zaten van die fokbakken op, dan heeft ie meer trekkracht, die waren allemaal stuk, aan gruttemeel geslagen. De ketting was afgebroken, de ketting zelf eigenlijk niet, maar de ogen waarmee die werd vastgehouden. Die waren erop gelast, maar niet doorgelast en dan is het niet sterk meer, dan breekt het zo af. En dat heeft een klap gemaakt, zo dat de moet van het slot in het eikenhout zat.
Nijdam was toen hoofd Openbare Werken, die was ook hoofd over dat molentje, die heb ik er bij gehaald en gezegd: "de boel is stuk, wat moeten we nou, het zal toch weer gemaakt moeten worden." Fraai, uit Westzaan, die hebben dat nog gerepareerd zodat die weer kon draaien. Exact twee jaar later, februari 1978 gebeurde het weer. Er brak een roed af: hij stond wel stil maar met drie roeden. Ik nam mijn maat mee: "’t is weer mis he." We hadden geen Fraai uit Westzaan meer, die waren failliet. "Nou," zei Nijdam, "wie moeten we er nou voor laten komen om dat ding te repareren". Ik zei: "ik weet er wel een, stap maar naar Moeijes." Toen zijn we naar Moeijes gestapt, aan de Molenkade. Een ouwe rot in het vak heeft hem gerepareerd: die heeft er een nieuwe roe in gezet en hij heeft het bovenhuisje wat recht getrokken met stangen erin. Maar hij stond nog scheef, een beetje naar rechts toe als je er voor staat. Maar er kon niet meer mee gedraaid worden, hij begon gammel te worden. Het was geen gezicht. De gemeente heeft er weer geld voor uitgetrokken. Hij is toen uit elkaar gedemonteerd. Het bovenhuisje eraf, in stromende regen, met de telekraan van Winder erbij. Hoe die er gekomen is, mag Joost weten, op dat smalle rotdijkie, maar hij stond er. Op een aanhanger mee, achter de bus, naar Oterleek bij firma Poland. Moeijes was toen al gestopt. Ik zei: "ga maar naar die Polandjes in Oterleek, die maken heel mooi spul." Nou ik heb het gezien, ik ben naar ze toe geweest. Ik ben gaan kijken en ze hadden het bovenhuisje al bijna in mekaar zitten. ik denk, als dat erop staat, dacht ik, dan heb ik een mooi molentje. Het staat mooi recht en het staat nog mooi recht, want het zit gewoon goed in mekaar.
Dat repareren van molens blijft wel bestaan, want zolang er molens zijn moeten die ook gerepareerd kunnen worden. Daar moeten molenmakers voor zijn.
Piet Eriks.
Terug naar de Startpagina.