Ik heb alleen mijn jeugd hier doorgebracht, want het grootste deel van mijn leven heb ik in Amsterdam gewoond en gewerkt. Ik was sociaal geneeskundige en werkte in de ambulante geestelijke gezondheidszorg voor ouderen. Dementerende mensen, gigantisch veel dementerende mensen. Ik geloof dat er niemand zoveel dementerende mensen in de thuissituatie heeft gezien. De eerste veertien dagen dacht ik, hier word ik helemaal gek van. Het moet zover komen dat je zegt, goed als ik de deur uitga naar mijn werk, dan trek ik de deur thuis dicht en als ik van mijn werk naar huis ga, dan trek ik op mijn werk de deur dicht. En dat moet je heel duidelijk kunnen scheiden. Ja kijk, het verhaal gaat over de Juf, want ik ben hier natuurlijk op de lagere school geweest en toen was er een Openbare lagere school in Heiloo. En er waren een Roomse meisjesschool en een Roomse jongensschool: thuis sliepen ze wel in een bed, op school werden ze streng gescheiden. We hadden dus een juf en die was getrouwd en in die tijd, het was crisistijd, werd elke juf die trouwde, die werd er uit geflikkerd, maar zij niet. We zijn er nooit achtergekomen waarom niet. Met wie zij of met wie haar echtgenoot een relatie had. Het was mevrouw Mossel-Klomp, Toen mijn ouders hier kwamen had Heiloo 4000 inwoners, dat was in 1924. En ik ben in ’27 geboren, dus in ’34 was ik op de lagere school. Ik zat bij juf Mossel in de klas. En jaren is ze onderwijzeres geweest op de Openbare lagere school en generaties meisjes heeft ze op de hand een franse broek laten naaien. Dan vertelde ze elk jaar weer dat ze naar Parijs geweest was en volgens de laatste mode had ze een franse broek meegebracht. Een directoire en die was van katoen en daar moest je weer kantjes opzetten. Verder was ze ook nogal, nou goed, ze dreigde ons altijd met de Babbelklem. Ze had een apparaat, bekleed met een soort rood fluweel in de kast liggen en dat toverde ze dan tevoorschijn als wij teveel zaten te babbelen en dan dreigde ze ons die babbelklem op te zetten. Ik denk dat je hele kop er zo ongeveer in kon, zo iets. Ze heeft het nooit toegepast, ze dreigde er alleen mee. Verder gaf ze altijd schijnzoenen, ze zoog dan haar wangen naar binnen en dan gaf ze een schijnzoen. En dan was er een van die jongens en die heette de Herder, zijn voornaam die weet ik niet meer. En daar was ik wel zo vreselijk kwaad om, in die tijd, Dan nam ze hem in haar armen en dan zei ze: als ik jou ruik, dan ruik ik de armoe. Ik was daar zo verschrikkelijk kwaad om. Zelf had ik natuurlijk ook een stankcirkel, want ik was een boerenmeid en je had nog niet die conserveringsmiddelen voor kuilgras als tegenwoordig, dat kon vreselijk stinken en als je de boerderij uitging moest je ook nog een keer de stal door. Voor de oorlog werd je er op gediscrimineerd en in de oorlog was het meneer de boer. Er was een grote strijd tussen haar en mij, dus wilde ze mij voordragen voor het Buitengewoon Lager Onderwijs. Het harmonieerde niet. Ik gaf misschien wel geen leerproblemen, maar ten opzichte van haar wel opvoedingsproblemen. Want bepaald gedrag van haar pikte ik zeer duidelijk niet, ook al was ik nog zo jong. Over dat overplaatsen naar het BLO, daar was mijn vader niet erg voor. Ik zou dan met een taxi uit Heiloo naar Alkmaar naar de Christelijke school, maar dat hoefde naderhand niet, want je moest een bepaald aantal kinderen in de klas hebben. Dat betekende, dat als ik wegging, dat er ook een leerkracht weg moest. Dus toen ben ik toch op school gebleven.
Mevr. Stork-Groenveld.
Terug naar de startpagina.